II

De Boodschap van Aphrodite

(de liefde)

Het spijt me, want opnieuw

Heb ik je armen op je rug gedraaid

Je schedel opgevuld met wat ik fluisterde

Je slaapt in dekens van dieprood, in zomernachten

Raast een bliksem die kietelt als hij treft

En alles tussen knie en navel doet ontvlammen


Vlucht voor mij

Maar traag

En aarzelend.


Ik ontdoe je van elk harnas, ik maak het naakte

Het onzekere, het jaloerse, het schaamteloze

Ik maak blind en onnadenkend en zacht, zo zacht,

Te zacht, te veel zacht, veel te zacht, zacht verzacht in knieƫn en in stem

Ik pleit voor genade maar ben zelf genadeloos


Maar nooit wilde ik je pijn doen

Liefste, allerliefste

Nooit wilde ik een kwelling zijn

Vergeef me

En vergeet mijn vergrijp

Tuimel daarna nogmaals

In mijn vangnet van strelende armen.