III

De Boodschap van Apollo

(de zon, de kunst)



verblindend licht werp ik over uw wereld

zichtbaar maak ik al het schone dat uw geest kan baren

leesbaar maak ik al het zachte dat uw hand kan schrijven

hoorbaar maak ik al het warme dat uw tong kan zingen

en spreken, open uw oren, uw ogen en besta

om te maken en vermaken, te roeren en ontroeren

ik kleur uw horizonnen goud om u naar ver daarachter te lokken


voedt uw lichaam met wat de aarde u toereikt

voedt uw wezen met wat de ander uit kan vinden


en heb genade

en heb gedachte

en heb trots

en heb bewondering

en heb jaloezie

en heb motief

en heb moed

en heb zorg


scheer

verschoon

open

IV

De Boodschap van Artemis

(de maan, de jacht)



Kijk op wanneer je slaapt in het zachte gras

Schrik wakker en staar mij aan


Aanschouw me:


Een kuise jonge zus vermomd zoals

Een zilverwitte hinde die springt

Door de van indigo doordrenkte heldernacht

Wie haar boven likkend vuur durft braden breekt zijn eigen hart

Haar lange oren rijken trots naar de lichtjarenverre sterren

Met stilte die verlegenheid verraadt bewaakt ze het einde van het veld.


Ik breng u licht, ik geef door wat mijn broeder aan mij geeft

Op gouden vleugels die ik voor u verzilver

Spreid ze weids maar houdt mijzelf gesloten

En wreek mij snijdend op wie mijn celibaat in twijfel trekt.


Mijn haar dat wit was werd gerood door louter wilskracht

En ik gerood steeds het geslacht van diegenen

Die zich een haar plegen te noemen


Ik schenk er bloed.