V

De Booschap van Neptunus

(de zee)

Mijn wetenschap peilt diep en diep

Verschilt het goede van het kwade

Mijn stem is licht, mijn woorden zwaar

De oppervlakte kabbelt koel en licht, de zware diepte duistert donker

Er vloeit een zee in al je ogen


Het is zinloos om de druppels, die emoties zijn, te tellen

Massagezamenlijk vormen ze de wereldzielzeeƫn

Zeven gezeefd en afgerond naar tien

Gelijkgetal als de vingers aan uw landprimatenhand maal twee


Vergeef me uw verdrinking en leer uzelf te zwemmen, het brengt geluk

Mijn traanzout water op uw lippen te proeven, verruil uw huid

Voor schubben in elke schitterkleur, is het dan zinloos om

Zoiets onontkoombaar reusachtigs zoals dat wat ik mezelf noem lief te hebben?


Witte rozen groeien schuimend op de hemelsblauwe klatergolf

Breken op

Verdwijnen tussen en

Knagen van

Uw vastelandszand, uw rotspartij en duinplooi

Armlengtes reik ik mijn rijk rijker met jullie rijk

Ik slok kolkend koud het noordijs en de hemelregen op in mij


Ik ben enormer dan heel mijn dorst en heel uw ijdelheid geplust, gesomd

Ben ik zo onovervaarbaar en onhoudbaar gigantisch, toch

Sijpelsluip ik met stille raas uw droogte binnen


Als u zichzelf niet tegenhoudt, dan laat het mij de vrije overloop, ik hou u nimmer tegen

Ik eis niets, ik neem enkel, als u zichzelf niet tegenhoudt

Als uw hitte verhitten blijft zal mijn verkoeling alles stromend blussen

Ik rijs en stijg, ik hou u nimmer tegen en insgelijks


We verdrinken allemaal

Diep in onszelf

Zinken we

Tot bodempunt.